Verantwoord ondernemen, verantwoord consumeren: voor een beperktere opvatting

Jos Philips

Verantwoord ondernemen is een vlag die vaak veel ladingen dekt. Drie van de belangrijkste zijn: (1) het vermijden van sweatshop-arbeid en uitbuiting in het algemeen; (2) de zorg voor het milieu; en (3) het bevorderen van de spirituele groei van werknemers. Dit zijn lofwaardige zaken. Mooi als er aandacht voor is. Maar een heel brede opvatting van (maatschappelijk) verantwoord ondernemen heeft ook een risico. Waar verantwoord nemen een vlag is die vele ladingen dekt, dreigt de belangrijkste lading onder te sneeuwen.

Ik zou willen pleiten voor een opvatting van verantwoord ondernemen die zich alleen richt op de eerste van de drie zojuist genoemde zaken.1 De bestrijding van uitbuiting - uitbuiting van werknemers en derde partijen en toekomstige generaties - is de harde kern van verantwoord ondernemen. Immers, het is onvoorstelbaar dat waar uitbuiting plaatsvindt, nog van verantwoord ondernemerschap valt te spreken. De genoemde harde kern moet in ere worden gehouden, en voorkómen moet worden dat hij uit de aandacht raakt of verwatert. De zorg voor het milieu is, in zekere zin, een minder centraal deel van verantwoord ondernemerschap. In zekere zin, want milieubewustzijn is voor een groot deel een zorg om mensen, mensen die nu leven of die in de toekomst zouden kunnen bestaan. Een dergelijk milieubewustzijn is wel degelijk een deel van de kern van verantwoord ondernemen. Maar veel milieu-activisten bepleiten een zorg om het milieu op zich, niet om de waarde die het heeft voor mensen. En zo’n zorg is naar mijn opvatting minder essentieel voor verantwoord ondernemerschap; ze is er uit weg te denken. En dan het bevorderen van de spirituele groei van werknemers. Dat is niet uit verantwoord ondernemerschap weg te denken, waar het gaat om een strijd voor goede primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar dan is het eigenlijk een strijd tegen uitbuiting. Het is veel minder duidelijk of de bevordering van spirituele groei bij verantwoord ondernemerschap thuishoort waar die bevordering veel verder gaat dan het waarborgen van goede arbeidsvoorwaarden, en waar ze zich bezighoudt met zingeving en dergelijke. De taak van ondernemingen is niet in de eerste plaats, of misschien wel helemaal niet, om aan zingeving te doen. Waar het op neer komt, is dat de zorg voor het milieu (voorzover die geen zorg om mensen is) en om het spirituele niet de meest constitutieve aspecten van verantwoord ondernemen zijn. Men kan zich verantwoord ondernemerschap voorstellen erzonder. En dat lijkt me een goed idee, omdat anders de bestrijding van uitbuiting te weinig in de schijnwerpers staat.

Een aantal invloedrijke omschrijvingen van (maatschappelijk) verantwoord ondernemen lijken aan te sturen op een eerder enge dan ruime opvatting, maar zijn wat dat betreft tegelijk weinig expliciet. Vgl. bijv. de definitie van maatschappelijk verantwoord ondernemen die de SER momenteel hanteert: ‘Het bewust richten van de ondernemingsactiviteiten op lange termijn waardecreatie in drie dimensies: markt (het economisch rendement), mens (de gevolgen voor de mens, binnen en buiten de onderneming) en milieu (de effecten op het natuurlijk leefmilieu).

Men kan natuurlijk zeggen: je moet het een doen en het ander niet laten. Daar zit wat in. Maar het gevaar dat datgene ondersneeuwt wat de kern van verantwoord ondernemerschap is, is reëel. We moeten onze prioriteiten helder hebben.

Een van de belangrijkste plichten van consumenten is om verantwoord te consumeren, in de zin, dat ze proberen om via hun consumptie verantwoord ondernemerschap aan te moedigen. In de lijn van het bovenstaande pleidooi moet een consument, om verantwoord te zijn, vooral producten kopen waarmee uitbuiting (sweatshop-arbeid e.d.) wordt bestreden. Dat betekent bijvoorbeeld, dat hij fair-trade producten moet kopen. Het kopen van ecologische producten lijkt mij relatief minder belangrijk, tenminste waar zulke producten puur gaan over het behoud van natuurlijke systemen en niet over mensen (die nu leven, of over toekomstige generaties). Producten met een ‘zingevingskeurmerk’ zijn er bij mijn weten nog niet, en ik vermoed, dat we daar niet rouwig om hoeven te zijn. Het is hier niet de plaats om een discussie te voeren over de vele complicaties die met fair-trade producten kunnen zijn verbonden, en ook niet om uitgebreid te beargumenteren, dat consumenten de plicht hebben om fair-trade producten te kopen. Elders betoog ik dat ze die plicht inderdaad hebben.1 Die plicht komt er in de praktijk waarschijnlijk zelfs op neer, dat consumenten zoals u en ik verplicht zijn, om overal waar er van een product een fair-trade variant bestaat, die variant ook te kopen. Als we dat doen, zou dat een enorme stimulans zijn voor verantwoord ondernemerschap in de boven verdedigde enge en meest belangrijke zin van het woord.

Jos Philips is docent aan het Ethiek Instituut en aan het Departement Wijsbegeerte van de Universiteit Utrecht.

Zie mijn dissertatie Affluent in the Face of Poverty. On What Rich Individuals Like Us Should Do. (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2007).